UPLACE OR MINE

Het genot van de zoektocht

Het was een koude en zonnige dag in de Waalse stad Namen. Ik wandelde door de straten, keek naar mensen die aan het shoppen waren in een stad die – op de klassieke winkelstraat vol ketens na – vooral bestaat uit kwalitatieve en betaalbare winkels : een kledingwinkel naast een bakker, een speelgoedwinkel naast een boekenshop. Ik viel onbewust in een verbazing over het genot van de zoektocht. Ik verklaar mij nader : een stad met variatie zorgt voor verrassing, een stad waar je kan genieten van de zoektocht naar een product. Het was lang geleden dat ik nog in Namen was, maar ik meende tegen de middag mij een Italiaans restaurant te herinneren waar ik een van de beste pizza’s ooit at. Ik dwaalde verder tot ik het restaurant vond en heb er waarlijk van genoten. In de namiddag zag ik een oude dame het repertoire van Piaf zingen op de hoek van een straat, even verder kwam ik uit op de Maas en zag gezinnen wandelen met de kinderen onder de bomen. Het was een dag vol eenvoudige maar authentieke indrukken.

Fierheid en geloof

Het genot van de zoektocht en authenticiteit heb ik niet in de grote shoppingcentra. Het kan een zaak van persoonlijke smaak zijn, maar als ik rondloop in een van de mastodonten en rondkijk heb ik het gevoel dat de mensen mieren zijn en de shops op raten lijken. Belangrijk detail : ik vind er de aandacht van de ambachtelijke uitbater niet, ik vind er zelfs amper nog een authentieke ambachtelijke winkel. Begrijp mij niet verkeerd, als ik spreek over ambacht heb ik niet over stoffige oude winkeltjes. Ambacht is ook eigentijds. In het culinaire domein spreekt men vaak van de terroir-producten. De term is wellicht uitgevonden om te duiden dat iets authentiek en ambachtelijk is. In mijn visie mogen alle producten dat zijn : met fierheid en geloof gecreëerd, met dezelfde fierheid en geloof vermarkt. Dat gevoel heb ik niet in shoppingcentra. Ze zijn de veruiterlijking van de gejaagde wereld die op zoek gaat naar snelle oplossingen.

Het bestaat al : in de stad

Er was een tijd waarin steden inspanningen deden om de kern aantrekkelijker te maken voor de bezoekers. De auto beperkte de ademruimte – letterlijk en figuurlijk – en dus werd de organisatie van het verkeer een prioriteit. Er is in vele steden al veel werk geleverd om een middenweg te vinden tussen toegankelijkheid en leefbaarheid. Bevreemdend dat een aantal steden de komst van megaprojecten toejuicht, projecten die zich dichtbij de stad bevinden en waar duizenden auto’s geparkeerd kunnen worden. Er zullen fitnesscentra, modewinkels, bioscoopzalen, restaurants zijn, en dit terwijl al die zaken al bestaan : in de stad zelf. De realiteitszin ontgaat mij. Er zullen extra rijvakken komen op de autosnelwegen om de toegang tot dergelijke winkelcentra mogelijk te maken want de toevloed aan auto’s staat nu al vast, en dit terwijl de autowegen nu al dichtslibben en de vervuiling die ermee gepaard gaat plots geen argument meer is. En trouwens, de weg naar een mega-shoppingcenter lijkt moeilijk af te leggen met de fiets of te voet, want was het dat niet wat we moesten doen : meer fietsen en stappen ? Mobiliteit krijgt een echte betekenis als ik dichtbij vind wat ik nodig heb, mobiliteit is geen trage tocht op autosnelwegen of tergend aanschuiven voor een plek in een parkeertoren. De realiteitszin begint waar leefbaarheid en toegankelijkheid elkaar vinden : in een dorp, een gemeente of een stad waar alles al bestaat wat nodig hebben.

Het doel

Zelfstandige kleine ondernemers hebben het steeds moeilijker om te overleven, de overheid steunt hen amper maar er gaan honderden miljoenen overheidsgeld naar de grote projecten in tijden van besparing. De kleine KMO heeft een zware uitdaging terwijl er amper een sociaal vangnet is. Ik gun iedereen een sociaal vangnet, maar ik vind het ronduit onrechtvaardig dat bij de sluiting van een grote onderneming alle mogelijk sociale en financiële vangnetten worden gecreëerd, terwijl van de sluiting van een kleine onderneming niemand wakker ligt. Des te belangrijker is het dat kleine en middelgrote ondernemingen in ons land worden ondersteund. Zo’n keuze vergt moed. Het vergt minder moed om de projectontwikkelaars bij te staan die slechts met één doel grote projecten uit de grond stampen : financieel rendement. Zij sturen hun lobbyisten uit en sommige politici volgen sans gêne slaafs de lobbyisten van deze grote corporates, ook al moet daar een onderzoeksbureau voor aan de slag dat nauwe banden heeft met initiatiefnemers. De overheidssteun moet er komen voor hen, de extra rijvakken op de autosnelweg ook. Alles voor het rendement. Waar is de ethiek gebleven en de geruststelling dat alle verkozenen zorg dragen voor het volk, nadenken over wat de kracht is van dit land en die beslissingen nemen die een kader scheppen waarin talent kan groeien en bloeien. Het zou het doel moeten zijn van elke initiatiefrijke ondernemer en bewuste politicus om bedrijfseconomische en maatschappelijke criteria te handhaven die vanzelfsprekend groei en winst met zich meebrengen, dat is nog iets anders dan winstbejag ten koste van veel en velen.

Sander Gee